Uitleg: 3 manieren van impliciet motorisch leren

In een eerder bericht hebben we al eens toegelicht wat impliciet motorisch leren is (ten opzichte van expliciet leren). Onderzoek lijkt uit te wijzen dat impliciet leren voor bepaalde groepen kinderen (bijvoorbeeld met een intellectuele of motorische beperking) voordeel op kan leveren bij het aanleren van motorische taken. Het stimuleren van impliciet leren kan echter op verschillende manieren. In dit bericht willen we een korte uitleg geven over drie methodes die momenteel centraal staan in het onderzoek naar impliciet leren en willen we enkele tips geven hoe dit toe te passen is in de gymles of tijdens sporttrainingen.

Instructies gericht op externe focus van aandacht:

Een methode, die in meerdere van de lopende onderzoeken bestudeerd wordt, is het genereren van een externe focus van aandacht door middel van instructie of feedback. Hiermee wordt geprobeerd om de aandacht te richten op de effecten van de beweging op de omgeving. Dit staat tegenover een meer interne focus, waarbij de aandacht gericht wordt op de bewegingen van het lichaam zelf. De verwachting is dat met een interne focus de leerling heel erg bewust wordt gemaakt van zijn bewegingen, terwijl een externe focus meer de automatisering van een beweging bevordert.

De aandacht kan op verschillende afstanden van het lichaam gericht worden. Zo kan bij tennis de aandacht worden gericht op de bewegingen van het racket of het traject van de bal nadat je hem geslagen hebt. Onderzoek suggereert dat de effectiviteit van een externe focus van aandacht varieert met de moeilijkheid van de taak en de vaardigheden van de leerling. Hoe gemakkelijker de taak is of hoe vaardiger de leerlingen zijn, des te verder weg kan de focus gelegd worden.

Analogie leren:

Een volgende methode die in de belangstelling staat is het analogie leren. Bij deze methode worden bewegingen beschreven aan de hand van een metafoor. Hierdoor zijn kinderen minder bewust van de specifieke stapjes die worden doorlopen bij de beweging, maar wordt meer procedurele kennis opgebouwd over de globale vorm van de beweging.

Er is wel een aantal punten om rekening mee te houden wanneer je een analogie wilt gebruiken om bewegingen aan te leren. Zo moet de gebruikte metafoor wel de beweging uitlokken die je voor ogen hebt, en niet leiden tot een verkeerd bewegingspatroon. Ook is het belangrijk om goed aan te sluiten bij de belevingswereld van de doelgroep. Kinderen moeten zich iets kunnen voorstellen bij de metafoor die je gebruikt, anders kunnen ze het niet goed toepassen.

Fouten reducerend leren:

Als laatste is er nog het foutloos of fouten reducerend leren. Het ervaren van succes tijdens het leren van bewegingen is van groot belang voor het zelfvertrouwen en motivatie van kinderen. Daarnaast blijkt het reduceren van fouten te leiden tot een meer impliciete vorm van leren. Wanneer er fouten worden gemaakt ben je namelijk geneigd te evalueren wat er niet goed ging en hoe je dit kan verbeteren. Als een beweging daarentegen succesvol is zal dit ’hypothese testen’,  of kennis opbouwen, minder voorkomen. Hierdoor is er minder bewuste aandacht voor de beweging en zal deze ook eerder automatisch uitgevoerd worden.

In de praktijk is oefenen nooit helemaal foutloos. Maar je kunt de kans op fouten wel reduceren, door de moeilijkheid of complexiteit langzaam op te bouwen. Hierbij moet een balans gevonden worden tussen het ervaren van succes en de uitdagendheid om wel steeds wat verder te komen. Met name tijdens de gymles is het verschil in niveau tussen kinderen erg groot. Wil je dit principe toepassen, dan zul je oefeningen op meerdere manieren moeten aanbieden, zodat voor iedereen die balans gevonden kan worden.

Tot slot

Alle drie methoden hebben, in meer of mindere mate, een impliciet karakter. Dit betekent echter niet dat dit altijd zal leiden tot een impliciet leerproces bij de kinderen. Deze is, naast de gebruikte interventie, afhankelijk van meerdere factoren, zoals de voorkeur van kinderen, hun cognitieve en motorische vaardigheden, en de neiging om zelf heel bewust na te denken over hun bewegingen en motivatie. Deze factoren worden in een aantal van de lopende onderzoeken meegenomen om zo meer te kunnen zeggen voor welke kinderen welke methoden het beste werken.  Zie voor een aantal voorbeelden van de drie methoden in de gymles het nieuwsbericht over de Workshop Omgaan met verschillen bij Lekker Fit Rotterdam. Tijdens deze workshop werkten ca. vijftig LO-docenten bovenstaande leermethoden uit in concrete beweegoefeningen.